De grote razzia

Gepubliceerd op 11 maart 2022 om 08:43

Begin november 1944 was de positie van de Duitse bezetter in Nederland snel aan het verslechteren. Vanuit het zuiden rukten de geallieerden op, terwijl het Nederlandse verzet steeds actiever en beter georganiseerd raakte. Voor de Duitse autoriteiten groeide daarmee de vrees dat grote groepen Nederlanders zich bij het gewapende verzet zouden aansluiten. De landelijk gecoördineerde spoorwegstaking in september en de geslaagde bevrijdingsactie van de LKP aan het Haagseveer waren, na de gebeurtenissen van Dolle Dinsdag, duidelijke tekenen van een groeiend en steeds professioneler opererend verzet. In Frankrijk en België hadden verzetsgroepen de bezetter eerder al zware tegenstand geboden. Na nachtelijke wapendroppings en met behulp van informatie uit geallieerde inlichtingennetwerken konden zij zich bewapenen en de strijd aangaan met de Duitse troepen. Een dergelijk scenario moest in het nog bezette deel van Nederland koste wat kost worden voorkomen. Tegelijkertijd bleef de behoefte aan arbeidskrachten in Duitsland onverminderd groot en achtte de Duitse legerleiding het noodzakelijk de verdedigingslinies in Oost-Nederland verder te versterken.

Om die redenen werden in het diepste geheim voorbereidingen getroffen om, gebruikmakend van het verrassingselement, in één gecoördineerde actie de mannelijke bevolking tussen de 17 en 40 jaar uit de vier grootste steden van West-Nederland weg te voeren. Organisatorisch vormde dit een enorme uitdaging. Er waren immers voldoende manschappen nodig om gelijktijdig in vier steden een razzia uit te voeren. Voor de circa 8.000 Duitse militairen en leden van de Grüne Polizei die hiervoor beschikbaar waren, bleek het meest uitvoerbare scenario om de razzia's stad voor stad uit te voeren. Rotterdam kreeg daarbij de hoogste prioriteit vanwege de ligging dicht bij de geallieerde opmars vanuit het zuiden.

De voorbereidingen vergden omvangrijke troepenverplaatsingen en intensief onderling overleg. Hoewel alleen de hoogste militaire en bestuurlijke leiding op de hoogte was van de ware aard van de operatie, ving het Rotterdamse verzet signalen op dat de Duitsers een grootschalige actie voorbereidden waarbij grote aantallen Rotterdamse mannen zouden worden weggevoerd. Wanneer die actie zou plaatsvinden, bleef echter onduidelijk. Het verspreiden van slechts een vaag gerucht zou de Duitsers mogelijk juist in de kaart spelen. Daarom besloot het verzet te wachten in de hoop de bevolking alsnog tijdig te kunnen waarschuwen zodra meer concrete informatie beschikbaar zou komen.

 

De bezetters slaagden erin hun operatie op een onverwacht moment in gang te zetten. In de nacht van 9 op 10 november werd de wachtcommandant van het politiebureau aan de Bergsingel gealarmeerd door een melding dat de Bergwegbrug plotseling door Duitse militairen was afgesloten. Toen hij contact probeerde op te nemen met het hoofdbureau aan het Haagseveer, bleek de telefoonverbinding te zijn verbroken. Al snel werd duidelijk dat telefonisch contact in de hele stad onmogelijk was geworden.

Ondertussen trokken groepen Duitse militairen naar strategische locaties in Rotterdam. Een eenheid verzamelde zich bij restaurant Lommerijk aan de Straatweg. Vrijwel ongemerkt werd de binnenstad hermetisch van de buitenwijken afgesloten. De Nieuwe Maas, de Delfshavense Schie in het westen, het Schiekanaal en het Noorderkanaal in het noorden en de Boezem in het oosten vormden de grenzen van het afgesloten gebied. Bruggen werden geopend of geblokkeerd en door zwaarbewapende Duitse militairen bewaakt. Onopgemerkt de binnenstad in- of uitgaan was daarmee onmogelijk geworden.

Bij het aanbreken van de dag werden de bewoners van de buitenwijken opgeschrikt door geweerschoten en het ratelen van machinegeweren. Voor de inwoners van de binnenstad bleef aanvankelijk onduidelijk wat zich afspeelde. Alleen langs de Delfshavense Schie en de Boezem zagen ooggetuigen dat de straten aan de overzijde van het water waren afgezet en dat grote aantallen leden van de Grüne Polizei en Duitse militairen huis na huis binnengingen om Nederlandse mannen mee te voeren.

De eerste geruchten verspreidden zich snel en vergrootten de onrust. Alleen het verzet begreep wat er werkelijk gaande was. Via een haastig gestencild pamflet probeerde het de bevolking te waarschuwen dat mannen onmiddellijk moesten onderduiken, omdat de razzia zich binnen korte tijd ook naar hun buurten en straten zou uitbreiden.

De reacties waren uiteenlopend. Omdat de binnenstad nog niet werd uitgekamd, leek de dreiging voor velen nog ver weg. Sommigen vroegen zich af of de Duitsers die dag niet al voldoende mannen zouden oppakken. Anderen gingen ervan uit dat het slechts om een tijdelijke arbeidsinzet in de omgeving van Rotterdam ging. Bovendien vertrouwden veel mannen erop dat hun werkgever een vrijstelling zou kunnen regelen. Weinig Rotterdammers konden vermoeden dat de grootste razzia uit de Nederlandse geschiedenis nog maar net was begonnen.

 

De mannen in het bakkerijcomplex van Van der Meer & Schoep aan het Willebrordusplein namen het zekere voor het onzekere. Zij besloten die avond in de bakkerij te overnachten. Hun nachtrust bleek echter van korte duur, want om twee uur 's nachts werd er hard op de deur gebonsd door Duitse militairen. Als katten in het nauw gedreven verborgen de bakkers zich, terwijl één van hen de militairen bij de deur vroeg naar de reden van hun komst. Al snel werd duidelijk dat de militairen niet op zoek waren naar mannen, maar 7.000 broden kwamen opeisen voor de Wehrmacht en de Grüne Polizei, die voor de razzia waren ingezet.

Verkoopleider Mels Koster, die boven het bakkerijcomplex woonde, werd gewekt en onderhandelde met de Duitse autoriteiten over vrijstellingen voor de bakkers die de broden moesten bakken. Snel stelde hij een lijst op waarop hij ongeveer twee keer zoveel namen zette als er daadwerkelijk nodig waren. Zo creëerde hij ruimte om later die dag, als dat nodig zou blijken, nog meer mannen uit handen van de Duitsers te houden.

Het briefje aan de bakkers van Van der Meer en Schoep waarin de Duitse Wehrmacht 7.000 broden opeist.

Het was inmiddels 5 uur 's nachts toen het mitrailleurgeknetter opnieuw weerklonk, maar nu veel dichterbij dan de nacht ervoor. De binnenring van de stad was nu aan de beurt. Vanaf de hoek van de Schiekade en de Bergweg liepen groepen Duitse militairen de wijk in. Er werd geschreeuwd en in de lucht geschoten. Pamfletten werden in de brievenbussen geduwd, terwijl sommige militairen en agenten van de Grüne Polizei op voordeuren bonkten of aanbelden om pamfletten persoonlijk af te geven. Een omroepwagen reed door de straten en las de inhoud van het pamflet voor:

 

 

Gerard uit de Schiebroeksestraat was één van de vele mannen die zich verplicht op straat moest melden: ‘Om het kort te houden, dankzij dokter Hermans was ik bijna aan een vrijstelling toe toen op 11 november, heel vroeg in de morgen de Duitsers aan de deur stonden. Mijn vader probeerde nog uit te leggen dat ik eigenlijk mijn bed niet uit mocht omdat dat mijn "toestand" zou verslechteren, maar de officier gaf de dringende raad om mee te gaan. Ik liep de kans dat minder geduldige soldaten me uit huis zouden halen. Koffer gepakt en daar ging ik dus.’
Buiten hing een intimiderende sfeer. Gerard werd in een groep met andere mannen opgedreven in de richting van het Bergwegziekenhuis. Kennelijk was dit bedoeld als het eerste verzamelpunt. Aan de achterzijde van het ziekenhuis, aan de st. Agathastraat, richtten militairen dreigend hun machinegeweren op de mannen die naar binnen moesten. Een Nederlandse politieagent, die eveneens verplicht moest opdraven voor de arbeidsinzet en gedwongen mee naar binnen moest, kreeg nog in onvervalst Duits “saboteur” nageroepen en zag naast hem kogels inslaan in de grond. In het ziekenhuis ging even het gerucht dat iedereen een medische keuring zou ondergaan, maar dat bleek niet het geval. De groepjes mannen die naar binnen waren geleid werden verzameld tot grotere groepen en werden vervolgens in colonne naar de tramremise aan de Kootsekade bij de Straatweg gemarcheerd.
Later in de ochtend arriveerden meer groepen mannen in de remise, waarvan sommigen zich verbazingwekkend genoeg spontaan alsnog hadden gemeld, nadat het ze eerder was gelukt om zich te verbergen. Twee jonge mannen vertelden hoe ze zich in de ochtend aan de Bergweg hadden verscholen in een kelder toen een buurvrouw, van wie haar echtgenoot was meegenomen hen dreigde te verraden. Of haar reactie door angst of jaloezie gedreven was wisten ze niet, maar ook bij sommige andere achtergebleven vrouwen waren die ochtend de emoties hoog opgelopen tegen vrouwen waarvan vermoed werd dat hun echtgenoten of zonen zich niet gemeld hadden.
In de middag kwam Gerard's vader nog naar de tramremise met een pannetje snert. ‘Die had mijn moeder nog gemaakt. Ik heb die soep op de treeplank van de tram opgegeten. Daarna moesten we de verdere dag en de nacht doorbrengen in één van de tramwagens. In die remise ontmoette ik mijn neef uit de Wiekstraat en enkele jongens uit de Vinkenstraat en daar heb ik me bij aangesloten voor de verdere tijd die we nog moesten gaan doorbrengen.’ 
Op 12 november, een dag waarop het voortdurend zou regenen, vertrok Gerard met de stoet mannen lopend vanaf de tramremise. ‘Nagewuifd door enkele familieleden en geliefden ging het langs de Straatweg en de Molenlaan naar wat later bleek Waddinxveen. Daar in de fabriek van Dobbelman hebben we kletsnat de nacht doorgebracht.’ Er waren die nacht onbewaakte momenten om er alsnog tussenuit te knijpen, maar Gerard en zijn neef hebben het maar kort overwogen. ‘Want waar moesten we in Rotterdam blijven? Onze moeders konden absoluut niet liegen, zodat thuisblijven ook al niet aantrekkelijk was. Bovendien hadden ze nog onze bonkaarten en dat heeft, naar later bleek, nog een beetje geholpen.’ 
Bij het aanbreken van de volgende dag zette de groep hun tocht verder voort in de richting van Utrecht. Gerard's groep zou uiteindelijk lopend bij kamp Amersfoort arriveren, waarna hij per trein in Duitsland terecht zou komen. Hij zou de rest van de oorlog daar doorbrengen.

 

Voor de Duitse bezetters was de razzia in Rotterdam een groot succes. Voorafgaand aan de actie was ingeschat dat het mogelijk moest zijn om 40.000 mannen op te pakken, maar in slechts twee dagen tijd waren ze erin geslaagd om 52.000 van de ongeveer 70.000 mannen tussen 17 en 40 jaar te verzamelen en weg te voeren. Verzetsleden die in die dagen uit de klauwen van de Duitse Wehrmacht en Grüne Polizei hadden weten te blijven, waren vernietigend in hun oordeel over de Rotterdamse bevolking. Een maand later publiceerde het ondergrondse verzetsblad Vrij Nederland: 'Vijftigduizend Nederlandse mannen laten zich als schapen wegvoeren en evenzoveel vrouwen zien toe hoe hun mannen en zoons weerloos naar Hitlers slachtbank worden geleid.' Het verrassingseffect, de intimiderende sfeer op 10 en 11 november, en de angst voor represailles hadden de bevolking volledig verlamd.

 

Een relatief klein aantal mannen was erin geslaagd met succes onder te duiken. Mels Koster van Van der Meer & Schoep was het zelfs gelukt om, dankzij zijn ruim opgestelde lijst van benodigde bakkers en met hulp van een tot ambulance omgebouwde auto van het verzet, een aantal personen die op zoek waren naar een onderduikadres onder te brengen op de meelzolder van het bakkerijcomplex aan het Willebrordusplein. Daar zouden ze blijven, totdat ze van nieuwe, valse papieren voorzien waren en zich weer in het openbaar konden vertonen.

 

Op straat werd het inmiddels stiller en stiller. Maar ook steeds grimmiger.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Jan Willem Cleijpool
4 jaar geleden

L.S.
Graag wil ik u wijzen op het burgerinitiatief "Razzia Monument Rotterdam". Wij streven naar een monument voor alle slachtoffers van de razzia van 10 en 11 november 1944 in Rotterdam en Schiedam. Meer informatie is te vinden op: www.razziamonument.nl en op onze facebookpagina: https://www.facebook.com/razziamonument

Ik zal uw blog delen op onze FB pagina.

Vriendelijke groeten,
Jan Willem Cleijpool - Secretaris
Razzia Monument Rotterdam

Ronald Hegmans
4 jaar geleden

Dank voor het delen, veel succes met het initiatief!
Vriendelijke groeten,
Ronald Hegmans