Puinruimen en opbouwen

Gepubliceerd op 29 oktober 2021 om 14:26

In het stadhuis aan de zwaargehavende Coolsingel is intussen het sein gegeven voor het maken van plannen voor de wederopbouw van het stadscentrum. Burgemeester Oud, het gemeentebestuur en de hoofdcommissaris van politie zijn in functie gebleven, maar zijn onder toezicht komen te staan van de Duitse regeringscommissaris dr. Carl Völckers. Al vier dagen na het verwoestende bombardement kan het gemeentebestuur ingenieur Witteveen opdracht geven een wederopbouwplan te ontwerpen. Nog geen twee weken later wordt met één pennenstreek alle grond binnen de gebombardeerde stadsdriehoek onteigend. Witteveen krijgt daarmee vrijwel letterlijk een blanco canvas waarop hij zijn wederopbouwplan kan uitwerken.
Vrijwilligers en werklozen worden intussen opgeroepen om de resten van half overeind staande gebouwen neer te halen en het puin in de binnenstad te ruimen. Ook gebouwen die misschien nog te redden zouden zijn geweest, maar een obstakel kunnen vormen voor de nieuwe plannen, worden gesloopt.

Een deel van al dit puin verdwijnt in de Rotterdamse Schie. Het besluit om de Schie te dempen was al in 1939 genomen. Nu wordt daarvoor het puin van de verwoeste binnenstad gebruikt. Precies zeshonderd jaar na het graven van het kanaal ligt de Schie daarmee niet langer in Rotterdam, maar ligt Rotterdam in de Schie.
Nog meer puin wordt gestort op het braakliggende terrein tussen het Noorderkanaal en de Ceintuurbaan. Het plan is om hier in de toekomst een verkeersweg aan te leggen. Op kortere termijn krijgt het puin echter een andere bestemming: het zal als fundering dienen voor noodwoningen voor Rotterdammers die door het bombardement dakloos zijn geworden.

1940 puin storten bij het Noorderkanaal
1940 bouw Drentse Dorp

Het storten van puin uit het gebombardeerde centrum op het braakliggende terrein tussen het Noorderkanaal en de Ceintuurbaan. Op de achtergrond de Allanbrug en het Hofpleinviaduct. Op de tweede foto is een paar weken later gestart met de bouw van het eerste van de drie nooddorpen. 

 

Voor de opvang van de daklozen moet snel worden gehandeld. Eind mei zijn de eerste plannen voor de bouw van noodwoningen, ongeveer ter hoogte van het Lisplein, al gereed. Over vrijwel de gehele lengte van de Gordelweg moeten langs het Noorderkanaal uiteindelijk drie complexen verrijzen.
Het eerste, aanvankelijk naamloze complex, dat later onofficieel bekend komt te staan als het Drentse Dorp, wordt voorbij de Bergwegbrug aangelegd aan een nieuwe straat: de Noorderkanaalweg. Direct ernaast ligt een gloednieuwe speeltuin, die op het punt stond te worden geopend toen de oorlog uitbrak. De voor juni 1940 geplande opening kan alsnog doorgaan, maar een deel van het speeltuinterrein moet tijdelijk worden opgeofferd voor de bouw van de noodwoningen. Vanaf dit punt zal het complex zich uitstrekken tot ongeveer ter hoogte van de Allanbrug, in het verlengde van de Bergsingel.
Vanaf juli verrijzen in sneltreinvaart op het met puin volgestorte terrein 188 noodwoningen, die vrijwel volledig van hout zijn opgetrokken. Bij de bouw wordt er rekening mee gehouden dat de toekomstige bewoners weinig of geen huisraad meer bezitten. In opdracht van de inderhaast opgerichte gemeentelijke huisvestingscommissie worden de woningen, in samenwerking met Maatschappelijk Hulpbetoon en met geld uit een garantiefonds voor oorlogsslachtoffers, alvast voorzien van ingebouwde ledikanten, enig basishuisraad en eenvoudige vitrage voor de vensters. Aan de achterzijde krijgen de huisjes kleine tuintjes.

 

Het Rotterdamsch Nieuwsblad van 21 augustus 1940 doet rooskleurig verslag van het bezoek van ingenieur Witteveen en de Duitse toezichthouder Völckers op het moment dat de eerste 60 houten huizen nagenoeg klaar zijn voor bewoning. ‘Zooals ir. Witteveen mededeelde, ontstaat hier een aardige wijk, waar talrijke dakloozen uit de binnenstad gezonder en prettiger zullen wonen dan vroeger in hun nauwe, ongezonde straten en stegen. Deze wijk zal een landelijk karakter dragen; daartoe worden de straten en pleintjes tusschen de huizenrijen met groen opgevroolijkt. De woningen zelf - de grootere zoowel als de kleinere, want er is gerekend op groote en kleine gezinnen - krijgen het aanzien van gezellige landhuisjes.’  
De werkelijkheid is anders. De huisjes zijn niet geïsoleerde, tochtige houten hokken voor de groep van allerarmste centrumbewoners, waarvan een deel ook nog eens als ongewenst en asociaal bekend staat. De huisvestingscommissie was bij de toewijzing van noodwoningen al meteen voor een dilemma komen te staan. Getroffenen uit het gebombardeerde centrum moesten zo snel mogelijk geholpen worden en daarbij stond voorop dat noodwoningen aan nette gezinnen zouden worden toegewezen. Veel van de oorspronkelijke bewoners uit het verwoeste centrum hadden op eigen kracht al tijdelijk of permanent onderdak kunnen vinden in de wijken buiten het centrum of buiten de stad. Wat nog rondzwierf tussen de haastig ingerichte noodverblijven op scholen of overleefde in volkstuincomplexen, schuren, bootjes of zelfs in de open lucht waren de gezinnen uit de verkrotte buurten van het oude centrum die niet over voldoende inkomen, vermogen of relaties beschikten om zichzelf te redden. Langzamerhand werd duidelijk dat deze groep niet geweerd kon worden. Onder hen bevonden zich veel arbeidersgezinnen die tot het bombardement met los werk het hoofd boven water moesten houden, langdurig werkloze steuntrekkers en sociaal zwakkere gezinnen. Over 30 gezinnen die in het nooddorp voor een woning in aanmerking zouden moeten komen waren al meteen zorgen of ze voldoende in staat zouden zijn om zichzelf behoorlijk te onderhouden.

 

1940 Drentse Dorp langs het Noorderkanaal
Drentse Dorp bij het Noorderkanaal

Het naamloze dorp (later beter bekend als het Drentse Dorp) langs het Noorderkanaal. In werkelijkheid niet veel meer dan houten barakken met wat basisvoorzieningen. Op de tweede foto een kijkje in het interieur, waar een vrouw op een zogenaamde "wonderkachel" met ruimte voor twee pannen en een ketel voor de fotograaf demonstreert hoe hierop het eten bereid kan worden.

 

De huisjes van de andere twee nooddorpen zijn van betere kwaliteit. In 1941 worden op funderingen van betonplaten het Utrechtse Dorp met 119 stenen woningen en het Gelderse Dorp met 159 stenen woningen opgeleverd. Deze complexen staan langs het Noorderkanaal ter hoogte van de wijken Bergpolder en Blijdorp. De bewoners, geselecteerd uit 3.000 inschrijvingen, die in deze twee stenen dorpen komen wonen zijn sociaal een stuk weerbaarder en meer zelfredzaam dan die van het Drentse Dorp.  Nog een verschil met het Drentse dorp is dat de Utrechtse en Gelderse nooddorpen straatnamen van dorpen of steden die in die betreffende provincienaam te vinden zijn gekregen hebben, in tegenstelling tot de straten in het officieel naamloze dorp die alleen letters uit het alfabet hebben toegewezen.  

 

Ondertussen is in de wijk de bomschade aan de Ambachtsschool hersteld en is begonnen met de herbouw van het gebombardeerde woonblok aan de Bergselaan, op de hoek van de Schiebroeksestraat. Precies een jaar na het bombardement, op 14 mei 1941, wordt de eerste steen gelegd. Niet lang daarna wordt een gedenkplaat ingemetseld, met daarop de datum van de bouw van het oorspronkelijke pand, die van het bombardement en die van de eerste steenlegging. Deze plechtigheid wordt verricht door de kinderen van de families Lans en Neeleman, die het oorspronkelijke pand bewoonden.

 

1941 herbouw hoekpand Schiebroeksestraat en Bergselaan

zomer 1941 - een officiele plechtigheid op het in aanbouw zijnde hoekpand van de Schiebroeksestraat en de Bergselaan dat op 14 mei 1940 door het bombardement verwoest werd. Op de achtegrond de Lisvijver met links daarvan een schuilkelder. In de Deutsche Zeitung in den Niederlanden van 20 juli 1941 wordt nog maar eens vermeld hoe voortvarend er wordt gewerkt aan de wederopbouw door de Rotterdammers.

 

Een stukje verderop is de interesse toegenomen in het stuk grond bij de Lisvijver. De oorspronkelijke plannen om daar een hervormde kerk te bouwen zijn na het bombardement en het verloren gaan van de kerken in het centrum een stuk urgenter geworden en om de grond van de gemeente te kunnen kopen is binnen de Nederduits hervormde gemeente in een sneltreinvaart geld ingezameld. Het doel voor de korte termijn is om er een kleine kapel te bouwen, maar toch zou het nog tot na de oorlog duren voordat er daadwerkelijk iets van zou komen. En dat geldt ook voor de herbouw van de gebombardeerde panden in de Willebrordusstraat en het pand op de hoek van de Bergweg en de Insulindestraat. 
De woningnood blijft intussen nijpend. Voor gedupeerde ondernemers die na het bombardement nog steeds geen plek hebben gevonden om hun onderneming voort te zetten worden in datzelfde voorjaar nog 44 bogen onder het spoorwegviaduct van de Hofpleinlijn tussen de Veurstraat en de Gordelweg dichtgezet. In veel gevallen worden ze ingericht als werkplaats of opslagruimte, maar het is een druppel op een gloeiende plaat. Er moet ook buiten de gemeentegrenzen worden gezocht naar oplossingen. 


Mede daarom is in de zomer van 1940, op last van de geïnstalleerde Rijkscommissaris voor Nederland Arthur Seyss-Inquart het besluit genomen dat voor veranderingen in gemeentegrenzen kan worden afgeweken van de Gemeentewet. Hieruit zou volgen dat in mei 1941 een ontwerp-beschikking aan de besturen van de Rotterdamse randgemeenten wordt gestuurd waarin hun opheffing als zelfstandige gemeente kenbaar wordt gemaakt. De randgemeenten, waaronder Schiebroek en Hillegersberg zullen worden geannexeerd en gaan vanaf dat moment onder het bestuur van de gemeente Rotterdam vallen. Toch heeft dat weinig invloed op verdere bouwactiviteiten of het verminderen van de woningnood. In 1942 zullen de plannen voor de wederopbouw na het afkondigen van een algehele bouwstop zelfs helemaal tot stilstand komen. 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.