Wie rond 1910 door het Nieuwe Noorden wandelt, ziet een wijk die nog volop in beweging is. Overal wordt gebouwd, verhuisd en gehandeld. Paarden trekken sleperswagens vol bouwmaterialen door de nieuwe straten. Handkarren brengen handelswaar naar de winkels en huisraad naar woningen die nog maar kort geleden zijn opgeleverd. Overal klinkt het geluid van timmerlieden en metselaars. Op de ene plek verrijst een rijtje van enkele panden, iets verderop wordt alweer aan de volgende woningen gewerkt. Langs de straten en lanen verschijnen steeds meer aaneengesloten gevels, maar daartussen liggen nog volop lege kavels en terreinen waar de bouw nog moet beginnen. Langzaam maar zeker vult de wijk zich en met iedere nieuwe woning komen er nieuwe bewoners bij.
Opvallend is hoe weinig gemotoriseerd verkeer er nog te zien is. Een auto is een zeldzaamheid. Paardenwagens en handkarren verzorgen het grootste deel van het goederenvervoer, terwijl de meeste bewoners zich te voet verplaatsen. Hier en daar rijdt een fietser voorbij, maar het rijwiel is nog lang niet voor iedereen weggelegd. Ondanks alle bedrijvigheid en bouwactiviteiten blijft het verkeer daardoor betrekkelijk rustig.
Maar niet alleen op straat heerst bedrijvigheid. Ook achter de voordeuren ontstaat een kleine economie van hospita’s en particuliere werkgeefsters. Kamers worden verhuurd aan kostgangers en wie het zich kan veroorloven, neemt hulp in de huishouding. Soms is dat een inwonende dienstbode, soms het goedkopere alternatief: een dagmeisje of een aankomend ‘hitje’ van een jaar of veertien.
In een samenleving waarin het onderscheid tussen de verschillende standen nog sterk voelbaar is, heeft zo’n hulp in huis bovendien een betekenis die verder gaat dan alleen het praktische gemak. Het hebben van een dienstbode laat ook zien welke maatschappelijke positie een gezin inneemt. In de ogen van de gegoede burgerij hoort een nette dame zich bij voorkeur niet met het zwaardere huishoudelijke werk bezig te houden.
Voor de meisjes die dat werk verrichten, ziet het dagelijks leven er heel anders uit. Een dagmeisje heeft het bepaald niet gemakkelijk. Vaak begint haar werk al rond half acht in de ochtend en gaat het door tot het einde van de middag. Van haar wordt niet alleen verwacht dat ze hard werkt, maar ook dat ze zich bescheiden en gehoorzaam opstelt tegenover haar werkgeefster.
Vanuit het perspectief van de vrouw des huizes heeft die verhouding ook een opvoedkundige kant. Zij beschouwt het als haar taak het meisje op te leiden, haar de kneepjes van het huishoudelijke vak bij te brengen en haar daarmee voor te bereiden op het leven dat volgens de heersende opvattingen voor haar in het verschiet ligt. Eenmaal getrouwd, zo wordt geredeneerd, moet een jonge vrouw immers in staat zijn een eigen huishouden te voeren en voor haar kinderen te zorgen.
Een goed en bekwaam meisje vinden blijkt ondertussen helemaal niet zo eenvoudig. Vrijwel dagelijks staan er in de kranten advertenties waarin gezinnen vragen om een dagmeisje of dienstbode. Tegelijkertijd krijgen jonge vrouwen steeds meer alternatieven. Ze kunnen bijvoorbeeld als machinestikster aan de slag in de fabriek van Simon Heijmans of als winkelmeisje in een van de winkels in de wijk. Huishoudens moeten daardoor op de arbeidsmarkt concurreren met werkgevers die ander werk en soms aantrekkelijker arbeidsvoorwaarden kunnen bieden. De vele personeelsadvertenties in de kranten laten zien hoe groot de vraag naar huishoudelijk personeel blijft.
1915 - twee dagdienstbodes en kinderen poseren voor de deur aan de Bergselaan 101
De dagmeisjes hadden omdat ze niet in huis woonden nog enige vorm van vrijheid. Een dienstbode die volledig inwoonde had dat nauwelijks. Maar een meid volledig in de kost is voor de meeste bewoners van de wijk te hoog gegrepen en boven hun stand. Dat is hooguit weggelegd voor een handjevol bewoners van de brede Bergselaan, de Bergsingel en het Lisplein. Daar wonen de gezinnen met de hoogste inkomens. Bewoners uit de Schiebroekselaan, de Berkelselaan, de Rodenrijselaan en -straat en de Lisstraat kunnen zich over het algemeen dagmeisjes veroorloven en zij vormen de middengroep. De meeste bewoners uit de overige straten vallen onder de lagere middenstand en daar kunnen weinigen zich maar een hulp in huis veroorloven.
Over die verdeling in de wijk is weer een saus van verzuiling en religieuze voorkeur gegoten. In de Berkelselaan en aan de Bergsingel bijvoorbeeld wonen op wat katholieken en hervormden na veel gereformeerde ARP aanhangers. Eigenlijk zit hier de werkelijke scheiding tussen de verschillende sociale netwerken. Het dag- of dienstmeisje en haar werkgeefster, beiden van een andere stand, deelden in ieder geval dezelfde geloofsovertuiging. In advertenties waarin men op zoek is naar hulp in de huishouding wordt vaak heel nadrukkelijk de geloofsovertuiging als voorwaarde genoemd in gevallen waarbij krant daar vanuit de zuil zelf geen uitsluitsel over geeft. Binnen de zuil deelde men dezelfde levensbeschouwing, las men dezelfde kranten, ging men naar dezelfde kerk of vereniging, kocht men zo vaak als mogelijk bij gelijkgestemde winkeliers en gingen kinderen naar de school die vanuit die bewuste levensbeschouwing onderwijst. Omgang met andersdenkenden kon grotendeels worden vermeden als men dat wilde.
Het is misschien dan ook geen verrassing dat in augustus 1913 juist in de Berkelselaan een gereformeerde lagere school haar deuren opent. Het is een extra school, naast de vier ingetekende scholen uit het plan van Insulinde die allemaal voor openbaar lager onderwijs bestemd zijn. Scholen die vanuit een bepaalde geloofsovertuiging lesgeven worden gezien als bijzonder onderwijs en worden niet vanuit de gemeente gesubsidieerd. Het is nog een erfenis uit de Franse tijd, toen kerk en staat gescheiden werden en het oprichten van scholen vanuit een bepaalde geloofsovertuiging verboden werd. Kerkelijke gemeenschappen kwamen daar al snel tegen in verzet en na de Franse tijd liet de liberaal Thorbecke de oprichting van scholen voor bijzonder onderwijs weer toe, maar hij bepaalde ook dat bijzondere scholen helemaal vanuit de eigen gemeenschap moesten worden gefinancierd. Alleen openbare scholen zouden vanuit de overheid gesteund worden. Meteen al bij de oprichting van de eerste confessionele partijen werd deze beslissing aangevochten en ondertussen stimuleerde ARP leider Abraham Kuyper en zijn kring van invloedrijke medestanders overal in het land de oprichting van christelijke scholen voor het lager onderwijs. De school in de Berkelselaan is dan al de 1100ste school voor bijzonder onderwijs in Nederland en de derde gereformeerde lagere school in het noorden van Rotterdam.
Herman Bavinck, naar wie de school vernoemd wordt, is net als Kuyper neocalvinist, predikant en politicus en is in eigen persoon aanwezig bij de officiële openingsplechtigheid voor de school die in de gereformeerde Nieuwe Noorderkerk een wijk verderop in de Snellemanstraat plaatsvindt. Bij deze gelegenheid wordt hoofdonderwijzer Robijn officieel gepresenteerd als hoofd van de lagere schoolklassen en juffrouw v.d. Ende als leidster van de kleuterschool. Speciale dank gaat tijdens de plechtigheid uit naar architect A.C. Lengkeek, die ook aanwezig is en verantwoordelijk is voor het ontwerp van de school. Bavinck neemt in de kerk een deel van de toespraak voor zijn rekening, waarin hij flink de nadruk legt op de vorming van het karakter: 'De ziel van het kind is de akker, welke moet worden bewerkt. De groote kunst is om het zaad te kennen, dat er te juister tijd op gezaaid moet worden, opdat onder Gods zegen een goede oogst mag worden verwacht.' En hij benoemt de taak van de onderwijzers: 'In de eerste plaats het vormen van menschen Gods; in de tweede plaats het vormen van zulke menschen, tot alle goed werk en elk bedrijf en ieder beroep bekwaamd en toegerust. Menschen, wier blik omhoog gericht is, wier domicilie in den hemel is, terwijl hun voeten in de aarde wortelen en die fier, frank en vrij de wereld inzien.'
Op school en thuis is dit voor de gereformeerde bewoners de rode draad van het bestaan. Vlijtig, plichtsgetrouw werken, met liefde voor God, het vaderland en voor de monarchie in het bijzonder. De vrije tijd is bestemd voor Bijbelstudie en op zondag wordt de kerk of de zondagschool bezocht.
De gereformeerden uit de wijk en anderen met een voorliefde voor de monarchie komen goed aan hun trekken in deze periode. Rotterdam viert in 1909 veertien dagen lang de geboorte van prinses Juliana en in november 1913 wordt overal in de stad het eeuwfeest van de Nederlandse onafhankelijkheid gevierd. Vooral met de geboorte van de nieuwe kroonprinses wordt intens meegeleefd. Er is een groot gevoel van opluchting en blijdschap dat het voortbestaan van de monarchie verzekerd is.
Op een andere manier wordt in die tijd meegeleefd met de weduwe van Johan George Reuchlin, de directeur van de Rotterdamse Holland-Amerika lijn die in april 1912 op uitnodiging van de rederij van het enorme schip Titanic tijdens de eerste vaart met ruim 1.500 opvarenden op volle zee verdrinkt. In het laatste telegram dat hij zijn vrouw vanaf het onzinkbaar geachte schip stuurde schrijft hij nog over de prachtige en luxe inrichting en de rustige zee. Een paar uur later zou de catastrofale aanvaring met een ijsberg het schip tot zinken brengen. Het nieuws over de ramp beheerst dagenlang de kranten.
Verder zijn er nieuwe uitvindingen die veel bewoners op de been krijgen. Een bijzondere gebeurtenis die in september 1910 groot de kranten haalt is een vliegdemonstratie die Rotterdam aandoet. Rotterdammers zien op Woudenstein voor de allereerste keer hoe de Belg en vliegtuigpionier Jan Olieslagers een vliegmachine bestuurt. Nieuw is ook bewegend beeld, dat vanaf 1908 volle zalen trekt in speciaal daarvoor aangepaste theaters. Het zijn niet meer dan korte fragmentjes van alledaagse gebeurtenissen die er te zien zijn, maar iedere week is er weer wat nieuws. Het gebouw Transvalia op de hoek van de Bergweg en de Benthuizerstraat is er speciaal voor verbouwd en heeft naast het café en feestzalen nu een ruimte voor "bioscope".
1908 - advertentie en foto van het gebouw Transvalia (met de luifels) op de hoek van de Bergweg en de Benthuizerstraat
Voor kinderen is de wijk in aanbouw, met overal rondzwervende bouwmaterialen, één groot speelparadijs. Een klein groepje jongens experimenteert in het souterrain van een woning aan de Vrijenbansestraat met allerlei vormen van techniek en behendigheid. Hun inspiratie halen ze uit een Engels boek van de voormalige militair Robert Baden-Powell. In Engeland wordt het al enkele jaren gebruikt door een nieuwe jeugdbeweging, waarin jongens zich technieken eigen maken die oorspronkelijk voor militaire verkenners zijn bedoeld.
Aan de hand van het boek oefenen de jongens uit het Nieuwe Noorden zich in kaartlezen, seinen, het gebruik van een kompas en het vindingrijk omgaan met touw en hout. Op zaterdag trekken ze naar het nog braakliggende terrein van Van Tussenbroek, dat plaatselijk inmiddels ‘Eudokialand’ wordt genoemd, om hun vaardigheden in de praktijk te brengen. Bewoners van de nieuwe wijk zien het groepje regelmatig vanuit het souterrain in colonne vertrekken. Met stukken touw en afgedankte houten palen over hun schouders lopen de jongens via de nieuwe lanen naar het drassige Eudokialand, waar ze bijvoorbeeld proberen een provisorische brug over een van de sloten te bouwen.
Spelenderwijs leggen ze zo de basis voor een van de eerste scoutinggroepen van Rotterdam. Wanneer scouting zich in Nederland tot een volwaardige organisatie ontwikkelt, gaat de groep verder onder de naam ‘Lischgroep’. Onder die naam zal zij meer dan een eeuw blijven bestaan. Het souterrain aan de Vrijenbansestraat wordt na enkele jaren verruild voor een ruimte aan de Berkelselaan. Inmiddels verdienen de jongens met allerlei karweitjes zelf genoeg geld om de huur daarvan te kunnen betalen.
Een kinderboek uit diezelfde periode geeft een prachtig inkijkje in de wereld waarin deze jongens opgroeien. In 1911 schrijft de Rotterdamse onderwijzer en kinderboekenschrijver Chr. van Abkoude Bob zonder zorg. Van Abkoude is vooral bekend als de schrijver van Kruimeltje en de Pietje Bell-boeken, maar in Bob zonder zorg voert hij zijn lezers mee naar een van de nieuwe buitenwijken van Rotterdam.
Bob is dertien jaar, enig kind en ‘stevig, gespierd, groot voor zijn leeftijd en schrander van voorkomen’. Samen met zijn moeder woont hij in een ‘mooi bovenhuis in één van de buitenwijken van Rotterdam’. Zijn vader, die rijkstelegrafist was, is overleden. Hoewel Van Abkoude nergens letterlijk vermeldt waar het huis staat, valt uit het verhaal op te maken dat het zeer waarschijnlijk aan de Schiebroekselaan moet worden gezocht.
Het milieu waarin het verhaal zich afspeelt, staat ver af van de sloppen en stegen uit de Rotterdamse binnenstad van Kruimeltje en ook van het lagere middenstandsmilieu van Pietje Bell. Bobs moeder heeft het weliswaar niet breed — zij moet rondkomen van het bescheiden pensioen dat haar man heeft nagelaten — maar Bob gaat keurig gekleed naar school, zijn moeder wacht hem ’s middags thuis op met melk en met een tafelschel roept ze de oude, halfdove dienstmeid Mietje wanneer Bob die melk heeft gemorst. Echt arm zijn ze dus bepaald niet.
Bob en zijn vriendjes hebben alle ruimte om buiten te spelen. Van Abkoude beschrijft het Nieuwe Noorden als één groot avonturenterrein: ‘Speelterrein was er in overvloed. Meer buitenaf, achter de Schiebroekse Laan, daar had je de weilanden en de grote zandheuvels, die er door 'n klein zandtreintje werden opgeworpen. Dwars door de weilanden sneed de Ceintuurbaan, waar af en toe spoortreinen naar de stad vlogen, en weer verder op had je de viaducten van de Electrische treinen naar Den Haag en Scheveningen, met hun ontelbare poorten. Op het land werd meest gevoetbald, maar verderop kon je ook lekker vissen, vooral in het Lischwater, een breed, kalm meertje, temidden van 't grasland.’
Bobs leven is onbezorgd, maar zijn ondernemingen zijn vaak minder doordacht. Zo bedenken hij en zijn vriendjes een cowboy-en-indianenspel waarbij enkele jongens op de zandtreintjes moeten springen en de anderen vervolgens de trein zullen ‘overvallen’. Natuurlijk gaat dat mis — zoals er in Bobs verdere avonturen nog wel vaker iets misgaat, voordat het uiteindelijk allemaal weer goed komt.
Van Abkoude schrijft fictie, maar tegelijkertijd schetst hij een bijzonder herkenbaar beeld van het Nieuwe Noorden in de jaren waarin de wijk nog volop in aanbouw is. We zien het leven van de wat beter gesitueerde burgerij, maar vooral ook de aantrekkingskracht die het half met zand opgehoogde polderland op kinderen moet hebben gehad. Bouwmaterialen, zandtreintjes, sloten, weilanden en spoorviaducten vormen samen één enorm speelterrein.
En er is nog iets waarmee de jeugd zich uitstekend kan vermaken: water.
Kranten uit deze periode berichten dat op warme dagen volop wordt gezwommen in het ‘Lissie’, zoals het Liswater al snel in de volksmond wordt genoemd. Aan het andere uiteinde van de Berkelselaan wordt ook de gedeeltelijk uitgegraven Bergsingel ontdekt als plek voor verkoeling. Daar zorgt dat voor nogal wat ophef. Jongeren uit de smallere zijstraten gebruiken de singel in de vroege avond niet alleen om te zwemmen, maar ook om zich te wassen. Zwemmen — laat staan jezelf wassen — is daar bij politieverordening verboden. Bijna dagelijks speelt zich daardoor hetzelfde tafereel af: een agent zet de achtervolging in op halfnaakte jongens, die alle kanten op stuiven en zich tussen de bouwmaterialen uit de voeten maken.
De discussie krijgt een serieuzer karakter wanneer bekend wordt dat de Gezondheidscommissie de gemeente positief heeft geadviseerd over de kwaliteit van het Liswater voor de aanleg van een zwembassin. In de noordelijke wijken wonen ongeveer 11.000 jongeren en de gemeente wil hun de mogelijkheid bieden zwemles te krijgen. Een houten zwembassin lijkt daarvoor een oplossing, en het Liswater een van de weinige geschikte locaties.
Maar onder omwonenden stuit het plan op fel verzet. Het Liswater is volgens hen een ‘sieraad van natuurschoon’. In een ingezonden brief aan het Rotterdamsch Nieuwsblad klinkt de verontwaardiging duidelijk door: ‘Het bassin maken met een toegang op het Lischplein, zou noodeloos ingrijpen beduiden op de belangen van burgers, wien heel wat anders van de Lischwater-toekomst is voorgespiegeld dan een houten zwembad met zijn nasleep.’
Het plan wordt voorlopig op de lange baan geschoven, maar daarmee verdwijnt het probleem niet. In het noorden van Rotterdam ontbreekt nog altijd een officiële zwemgelegenheid, terwijl daar duidelijk behoefte aan is.
+/- 1910 Kinderen aan het Liswater. Op de achtergrond het spoor van de Ceintuurbaan
Wat de volwassenen ook van het gebruik van het Liswater vinden, de jeugd laat zich er niet gemakkelijk vandaan houden. En zodra de zomer voorbij is, dient zich vanzelf een volgende mogelijkheid aan. In de winter verandert het Liswater in een ijsbaan.
Zodra het stevig genoeg heeft gevroren, maken zwemmers en vissers plaats voor schaatsers. En wie wat verder wil, hoeft zich niet tot het Liswater te beperken. Omdat het water nog in verbinding staat met de sloten van het grotendeels onbebouwde polderland, kunnen kleine toertochten door het Nieuwe Noorden worden gemaakt. Bij de Insulindestraat binden kinderen en jongeren hun schaatsen onder om via de bevroren poldersloten naar het Liswater te rijden. Vandaar kunnen ze onder de Ceintuurbaan door verder schaatsen, richting de Kleiweg en de Bergse Plassen.
Natuurlijk wacht niet iedereen geduldig totdat het ijs werkelijk betrouwbaar is. Na een paar nachten lichte vorst wagen de eerste waaghalzen zich er al op. In de kranten verschijnen dan ook regelmatig berichten over jongeren die op het Liswater door het ijs zijn gezakt. De zoon van Kurpershoek, zelf bouwondernemer en wonend aan het gedeelte van de Bergselaan schuin tegenover het Liswater, heeft meestal een ladder paraat. Als iemand door het ijs zakt, kan die over het ijs worden geschoven om de drenkeling weer veilig aan de kant te krijgen.
Wanneer op een dag een hele groep door het ijs zakt, is het meester Krijn uit de Berkelselaan die te hulp schiet. Hij trekt snel zijn jas uit, doet zijn schaatsen af en geeft zijn spullen aan een omstander. Vervolgens waagt hij zich op het ijs om de drenkelingen te redden. Zijn reddingspoging slaagt. Maar wanneer hij daarna terugkeert, blijkt de omstander aan wie hij zijn jas en schaatsen heeft toevertrouwd spoorloos verdwenen — mét zijn spullen.
Zelfs een heldendaad heeft in het Nieuwe Noorden blijkbaar niet altijd een gelukkige afloop. Ook dát zijn de verhalen die de krant halen.
Reactie plaatsen
Reacties
Dank voor de berichten uit het nieuwe noorden.
Zelf ben ik erg benieuwd naar de ontwikkeling van de Sint Agathastraat. Aan de oneven zijn staan allemaal panden van rond 1890 (muv de later gebouwde nieuwbouw). Maar het pand op nr 21 is uit de jaren 30. Waarom is dat pand later gebouwd en van een hele andere bouwstijl.
Dag Martien,
Het pand op nr 21 is uit 1934 om precies te zijn. Op de website van het stadsarchief kun je op zoek gaan naar zogenaamde pandkaarten en daar e.e.a. aan informatie uit halen. Je zult dan ook zien dat de overige oude bebouwing in de straat niet uit de periode rond 1890 maar van 1908 en later is. Voor 1906 was dit nog allemaal poldergebied. (ik heb hier in de eerste blogs over geschreven)
Het aanknopingspunt mbt de reden waarom nr 21 een stuk nieuwer is t.o.v. de rest, kun je vinden in de gealfabetiseerde adresboeken die je eveneens (digitaal) in het stadsarchief kunt inzien. Je zult dan zien dat er voor 1934 nooit een huisnummer 21 bestaan heeft. Dat is niet heel gek of uitzonderlijk. Op meerdere plekken in het Liskwartier zijn tot pakweg 1940 open stukken geweest tussen de reeds bebouwde percelen. Het kan zijn dat er op dit stuk een tijdje een loods oid gestaan heeft van een bedrijf dat er naast gezeten heeft, maar dat is niet als huisnummer geregistreerd geweest. Er heeft voor 1934 in ieder geval nooit een ander huis gestaan.
De bouwstijl van de jaren 30 is qua uiterlijk anders dan die uit de periode van rond 1908. De visie op bouwen en wat men aantrekkelijk vond was toen een stuk zakelijker dan 25 jaar daarvoor. Je ziet het ook duidelijk in andere delen van de wijk.
groeten,
Ronald