Hoe lag de stad er dan bij, zo rond de eeuwwisseling? Het Rotterdamsch Nieuwsblad van 2 januari 1901 schetste een hoopvol toekomstbeeld. Rotterdam, zo schreef de redactie, was de negentiende eeuw ‘duf en onbelangrijk’ begonnen. Op een paar bijzondere momenten na – zoals het bezoek van Napoleon in 1811 en koning Willem I in 1813 – gebeurde er weinig. Pas toen stoomkracht en elektriciteit hun intrede deden, kwam er werkelijk vaart in de ontwikkeling. Vanaf dat moment begon de spectaculaire transformatie van de Maasstad.
In 1847 reed de eerste trein Rotterdam binnen. Ook de opkomende stoomscheepvaart en de ontwikkeling van de telegrafie zorgden voor steeds snellere verbindingen. Rotterdam begon langzaam maar zeker zijn plaats te veroveren als knooppunt van het internationale handelsverkeer. De grote rivieren en het spoorwegnet richting het oosten openden nieuwe routes naar het snel industrialiserende Ruhrgebied. Een spoorwegviaduct dwars door het centrum verbond de stad met het zuiden van het land en met België. De aanleg van de Nieuwe Waterweg, die steeds grotere zeeschepen rechtstreeks toegang tot Rotterdam gaf, vormde de bekroning. Zeevaart, binnenvaart en spoor kwamen er samen en gaven de economische ontwikkeling van de stad een enorme impuls.
Al die bedrijvigheid bracht werk en trok een gestage stroom nieuwkomers aan. Stad en haven breidden zich in hoog tempo uit. De Rotterdamse bevolking groeide, mede door annexaties van omliggende gemeenten, van nog geen 54.000 inwoners in 1800 naar ongeveer 121.000 in 1870 en ruim 319.000 in 1900. Vooral in de laatste decennia van de eeuw ging het razendsnel. In nog geen dertig jaar werd de basis gelegd voor wat later de grootste haven ter wereld zou worden. Rotterdam zag zijn welvaart en betekenis toenemen en leek klaar om de twintigste eeuw vol vertrouwen tegemoet te gaan.
Het krantenartikel besteedde veel minder aandacht aan de vraag waar al die nieuwe Rotterdammers eigenlijk moesten wonen. Juist daar schortte van alles aan. In het overwegend liberale politieke klimaat van de negentiende eeuw golden individuele vrijheid, particulier initiatief en een terughoudende overheid als belangrijke uitgangspunten. Zorg voor huisvesting werd niet als een vanzelfsprekende taak van de overheid beschouwd. Woningbouw was vooral een zaak van particuliere ondernemers en van vraag en aanbod.
Voor een groot deel van de bevolking was fatsoenlijke woonruimte nauwelijks betaalbaar. Halverwege de eeuw puilde de oude binnenstad uit. Achter de voorgevels van bestaande straten lagen stegen, sloppen en binnenplaatsen waar steeds meer gezinnen dicht opeengepakt woonden.
Na 1870 veranderde ook de financiering van de woningbouw. Krediet en hypotheken werden gemakkelijker beschikbaar en grondexploitanten en bouwondernemers stortten zich op de enorme vraag naar goedkope woningen. Grond en huizen werden handelswaar. Wie een stuk grond exploiteerde, had er belang bij zoveel mogelijk verkoopbare bouwpercelen uit iedere vierkante meter te halen.
Dat was terug te zien in de stratenplannen die particuliere exploitanten bij de gemeente indienden. Over de belangrijkste straten en verbindingen werd met de gemeente onderhandeld; op het resterende terrein verschenen vaak smallere zijstraten en zo veel mogelijk bouwpercelen. De bouwondernemers die deze kavels vervolgens kochten, stonden op hun beurt onder financiële druk. Iedere maand dat er niet gebouwd en verkocht of verhuurd kon worden, liepen rente en andere kosten door. Snel en goedkoop bouwen was daardoor aantrekkelijk.
Vooral aan de onderkant van de woningmarkt waren de gevolgen zichtbaar. Kleine arbeiderswoningen waren dikwijls van matige kwaliteit en beschikten over weinig sanitaire voorzieningen. In het laatste kwart van de negentiende eeuw verrezen zo in hoog tempo nieuwe volksbuurten in Crooswijk, ten noorden van de oude stad tussen Rotte en Bergweg en in de uitbreidingen ten westen en zuiden van de stadsdriehoek. Later zou voor een deel van deze manier van bouwen de term revolutiebouw of speculatiebouw worden gebruikt. Het meest benauwd waren de smalle zijstraten met donkere woningen, alkoven en soms rug-aan-rugbebouwing.
Het gemeentebestuur had lange tijd moeite om die explosieve groei te sturen. Dat gold niet alleen voor de woningbouw. Ook bij de eerste grote havenontwikkeling op Zuid koos Rotterdam aanvankelijk voor particulier initiatief. Een belangrijke rol was weggelegd voor de vermogende ondernemer Lodewijk Pincoffs. Toen diens zakenimperium in 1879 instortte en hij het land ontvluchtte, werd de gemeente gedwongen zelf een veel actievere rol bij de havenontwikkeling op zich te nemen.
Ook grote infrastructurele ingrepen kwamen niet altijd op initiatief van de stad tot stand. Voor de aanleg van de spoorverbinding naar het zuiden werd dwars door Rotterdam een spoorviaduct aangelegd. De Binnenrotte werd gedempt en huizen moesten verdwijnen. Bewoners die toch al in een overvolle binnenstad leefden, moesten elders onderdak zien te vinden.
Ondertussen gingen de slechte woonomstandigheden, vervuild oppervlaktewater en gebrekkige sanitaire voorzieningen hand in hand met terugkerende epidemieën. Langzaam werd duidelijk dat een snelgroeiende stad niet uitsluitend kon vertrouwen op particulier initiatief.
Stadsarchitect Willem Nicolaas Rose was een van de eersten die probeerde de problemen van waterhuishouding, volksgezondheid en stadsuitbreiding in samenhang te bekijken. Al in 1841 werkte hij aan plannen voor een stelsel van singels rond de bestaande stad. Uiteindelijk ontstond daaruit het beroemde Waterproject.
Het principe was even eenvoudig als ambitieus. Water moest door een stelsel van singels en watergangen worden geleid en met behulp van gemalen worden ververst. Tegelijkertijd kregen de nieuwe singels met hun bomen en groenstroken een representatieve functie: sanitaire infrastructuur en stadsverfraaiing gingen hand in hand.
Het plan werd aanvankelijk te kostbaar gevonden. Pas toen epidemieën en de slechte hygiënische omstandigheden steeds moeilijker te negeren waren, besloot de gemeenteraad in de jaren 1850 tot uitvoering van belangrijke delen ervan. De medische kennis was nog beperkt; lange tijd werd vooral de stank zelf als veroorzaker van ziekten beschouwd. Vervuild oppervlaktewater bleef nog jarenlang een gevaar voor de volksgezondheid.
Pas jaren later, na een zoveelste uitbraak van cholera en nieuwe inzichten kreeg de nieuw aangestelde directeur van Gemeentewerken G.J. de Jongh gemeentelijke steun voor het aanleggen van een gesloten rioolsysteem dat deels naast de singels gegraven werd. Een drinkwaterleiding zorgde vanaf dat moment voor schoon water. De Jongh was tevens degene die ervoor zou zorgen dat gas, elektriciteit en het telefoonnetwerk niet meer door verschillende particuliere initiatiefnemers werden geleverd, maar gecentraliseerd werden en onder de regie van de afdeling Gemeentewerken kwam. Uniek voor de tijd waarin overheidsinmenging zo beperkt mogelijk gehouden werd.
Onder zijn leiding groeide Gemeentewerken uit tot een machtige technische dienst. De Jongh keek verder dan de afzonderlijke straat of het individuele bouwplan. Havenaanleg, verkeer, waterhuishouding, riolering en stadsuitbreiding moesten volgens hem als onderdelen van één stedelijk systeem worden bekeken.
Daarmee botste hij regelmatig met een gemeenteraad die veel terughoudender dacht over de rol van de overheid. De Jongh had op zichzelf geen bezwaar tegen particuliere ondernemers die grond ontwikkelden en woningen bouwden. Hij vond wél dat de gemeente vooraf de hoofdlijnen moest bepalen: waar de belangrijke wegen kwamen, hoe nieuwe buurten op elkaar aansloten en welke ruimte nodig was voor water, verkeer en openbare voorzieningen.
Juist dat bleek lastig. Vrijwel alle grond rond de bestaande stad was particulier bezit en onteigening was kostbaar en juridisch ingewikkeld. De Jonghs ambitie om grotere gebieden als één geheel te ontwerpen botste daardoor voortdurend met bestaande eigendomsgrenzen en financiële belangen. In de praktijk bleven particuliere grondexploitanten grote invloed houden op de vorm van de nieuwe wijken.
De gemeente probeerde ondertussen via plaatselijke verordeningen meer grip te krijgen. In een bouwverordening uit 1887 werden bijvoorbeeld eisen gesteld aan straatbreedte en bouwhoogte. Straten moesten ten minste tien meter breed zijn en op straathoeken werden afgeschuinde hoeken voorgeschreven. Aansluiting op gemeentelijke voorzieningen kon daarbij als drukmiddel worden gebruikt.
Maar zulke regels bepaalden vooral de vorm van straten en gebouwen. Voor de kwaliteit van de woningen zelf, licht en lucht, sanitaire voorzieningen en de omstandigheden waarin mensen woonden, bestond nog geen samenhangend wettelijk kader.
Toch begon er iets te veranderen. De eerste voorvechters voor een woningwet en een gezondheidswet lieten tegen het einde van de eeuw van zich horen. Niet alleen in Rotterdam, maar ook op landelijk niveau begon het besef te groeien dat volksgezondheid en volkshuisvesting op een hoger plan moesten komen. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen publiceerde in 1896 een invloedrijk rapport waarin wettelijke maatregelen werden bepleit om de woningtoestanden te verbeteren.
Daarachter speelde een bredere maatschappelijke verandering. De sociale kwestie was niet langer te negeren. Confessionele politici, met Abraham Kuyper als een van de prominentste vertegenwoordigers, richtten zich nadrukkelijk op de belangen van de kleine luyden. Tegelijkertijd groeide de socialistische arbeidersbeweging. Ook binnen het liberalisme won de gedachte terrein dat volledige staatsonthouding geen antwoord bood op de problemen van de moderne industriestad.
Het progressief-liberale kabinet-Pierson diende uiteindelijk een wetsvoorstel in dat de overheid veel meer mogelijkheden moest geven om in te grijpen in de volkshuisvesting.
In 1901 werd de Woningwet door beide Kamers aangenomen. Op 1 augustus 1902 trad zij in werking. Gemeenten kregen daarmee instrumenten die enkele decennia eerder nauwelijks denkbaar waren geweest. Ze moesten bouwverordeningen opstellen, konden optreden tegen onbewoonbare woningen en kregen mogelijkheden om grond te onteigenen ten behoeve van de volkshuisvesting. Gezondheidscommissies kregen een rol bij het toezicht op de woonomstandigheden.
Voor een snelgroeiende gemeente als Rotterdam was nog iets anders van groot belang: de wet verplichtte haar een uitbreidingsplan vast te stellen en dat periodiek te herzien. Voor het eerst kreeg de gedachte dat de toekomstige stad vooraf als samenhangend geheel moest worden gepland een stevige wettelijke basis.
Ook woningbouwverenigingen kregen een positie. Erkende instellingen die uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkten, konden via de overheid financiële steun ontvangen voor sociale woningbouw.
Toch betekende de Woningwet niet dat de overheid voortaan zelf de stad zou bouwen. Het liberale uitgangspunt bleef voor een belangrijk deel overeind. Het overgrote deel van de woningen zou nog steeds door particuliere bouwers worden gerealiseerd en grondexploitanten bleven een belangrijke rol spelen. Wat veranderde, waren de spelregels. De gemeente beschikte voortaan over veel krachtiger middelen om te bepalen onder welke voorwaarden de particuliere stadsuitbreiding mocht plaatsvinden.
En precies op dat kantelpunt verschijnen twee ondernemers die we inmiddels kennen in de Rotterdamse raadsverslagen: Martinus Zaaijer en Cornelis Kurpershoek.
Reactie plaatsen
Reacties